De voor een opgelegde voorlopige aanslag vennootschapsbelasting verleende betalingskorting vormt een belaste bate voor de vennootschap
Een BV heeft bij de betaling van de haar opgelegde voorlopige aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 2000 een betalingskorting genoten van fl. 35.180.

Zij heeft dit bedrag, onder verwijzing naar artikel 10, aanhef en onderdeel d , Wet Vpb (tekst voor het jaar 2000), bij het doen van aangifte niet aangemerkt als een tot het belastbare bedrag te rekenen bate. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de inspecteur de voormelde betalingskorting echter wel tot het belastbare bedrag gerekend. Met het Hof en A-G Wattel oordeelt ook de Hoge Raad dat de inspecteur dit terecht heeft gedaan. Bij een BV wordt blijkens artikel 2, vijfde lid, Wet Vpb 1969 geen onderscheid gemaakt tussen bedrijfsmatige en niet-bedrijfsmatige inkomsten en uitgaven en is het betalen van schulden van de vennootschap als een bedrijfshandeling aan te merken. Weliswaar komt de vennootschapsbelasting bij de bepaling van de winst niet in aftrek, maar de betalingskorting kan niet als een vermindering van de vennootschapsbelasting worden aangemerkt. Dat blijkt reeds daaruit dat het onverminderde bedrag van de vennootschapsbelasting met de definitieve aanslag verrekend wordt. Dat voert tot de conclusie dat de betalingskorting inderdaad belast is.

 (Bron: Fiscanet)