De 500-kilometergrens voor het autokostenforfait moet op kalenderjaarbasis worden berekend
Aan een werknemer is een “Verklaring geen privé-gebruik auto” (hierna: de Verklaring) verstrekt. De man heeft van 1 januari tot en met 12 mei 2009 een Seat van zijn werkgever ter beschikking gehad. Daarna heeft hij tot 20 juli 2009 geen auto gehad. Vervolgens kreeg hij opnieuw een auto ter beschikking van zijn werkgever en heeft hij de inspecteur verzocht de Verklaring met ingang van 10 juli 2009 in te trekken. Reden hiervoor was dat hij voornemens was deze auto wel voor privédoeleinden te gebruiken. De inspecteur heeft daarop voor de periode 1 januari tot en met 12 mei 2009 een naheffingsaanslag opgelegd. De naheffingsaanslag is vastgesteld door de inspecteur van de Belastingdienst/Oost/Coördinatiepunt privégebruik auto.
Hof Arnhem had geoordeeld dat de inspecteur niet bevoegd was om de naheffingsaanslag op te leggen. Daar was de Hoge Raad het niet mee eens. De zaak is daarop verwezen naar Hof Den Bosch.
De man stelt zich op het standpunt dat hij over de periode 1 januari 2009 tot en met 12 mei 2009 geen voordeel heeft genoten, omdat hij de Seat gedurende die periode niet voor privédoeleinden heeft gebruikt. Volgens het verwijzingshof heeft Rechtbank Arnhem echter juist geoordeeld dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Indien een belastingplichtige gedurende een kalenderjaar meer dan één auto ter beschikking is gesteld, geldt de 500-kilometergrens niettemin op jaarbasis, dus niet per auto. De bijtelling moet plaatsvinden over beide auto's.

(Bron Belastingdienst)