De aanname dat ondernemers vóór 1 juli 2017 een beslissing moeten nemen over hoe zij omgaan met de uitfasering van hun PEB, in de zin dat al voor die datum besloten zou moeten worden of men het PEB wil afkopen, omzetten in een oudedagsverplichting of bevroren wil houden, berust op een hardnekkig misverstand.

Dit antwoordt de staatssecretaris van Financiën op vragen van de Tweede Kamer. De staatssecretaris geeft aan dat de laatste tijd ook in krantenberichten deze datum ten onrechte als deadline voor deze keuze wordt genoemd. Het enige dat uiterlijk aan het eind van de coulanceperiode moet zijn geregeld, is dat de huidige opbouw van het PEB wordt stopgezet. Dit kan door de algemene vergadering bijeen te roepen en door een addendum op te nemen waarin staat de opbouw stopt.

De Kamer wilde ook weten hoe het nu precies zit met het zogenaamde informatieformulier. De staatssecretaris geeft aan dat een dga alleen verplicht is om het informatieformulier in te vullen en naar de Belastingdienst te retourneren, wanneer hij zijn PEB afkoopt of omzet in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting. Dit informatieformulier moet inderdaad binnen een maand nadat de ondernemer het PEB heeft afgekocht dan wel omgezet in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting door de Belastingdienst ontvangen zijn.

Een dga heeft tot en met 31 december 2019 de tijd om te beslissen of hij zijn bevroren PEB nog wil afkopen of omzetten in een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting. Voor het stopzetten van de opbouw van het PEB, de enige handeling die noodzakelijk is vóór 1 juli 2017, hoeft de dga dus geen informatieformulier in te vullen en op te sturen naar de Belastingdienst, aldus de staatssecretaris.
(Antwoorden Kamervragen, nr. 2017-0000114867)