Aan de hand van een rechtszaak komen enkele aandachtspunten bij aftrek hypotheekrente in de situatie van een echtscheiding aan de orde. De eigendomsverhouding is in beginsel bepalend.

De rechtszaak handelt over het volgende. De huwelijkspartners zijn ieder voor de helft eigenaar van de woning waarin ze met drie kinderen wonen. Ze zijn allebei hoofdelijk aansprakelijk voor de hypotheekschuld. In 2008 gaan zij uit elkaar en de man verlaat de woning. De vrouw geeft in haar aangifte voor het jaar 2008 op dat ze 100% eigenaar is van de woning. Zij kiest niet voor fiscaal partnerschap. De aanslag wordt conform de aangifte vastgesteld.

Pas bij de behandeling van haar aangifte over het jaar 2009 komt de Belastingdienst erachter dat de vrouw slechts eigenaar is voor de helft van de woning. Hierop ontvangt zij een navorderingsaanslag waarbij de inspecteur slechts de helft van de renteaftrek en de helft van het eigenwoningforfait aan haar toerekent. Zij is het niet eens met de inspecteur. Zij stelt dat zij alle rente heeft betaald en dat de inspecteur heeft toegezegd dat zij de volledige rente in mindering mag brengen. Tevens is zij van mening dat de inspecteur haar erop had moeten wijzen dat ze kon opteren voor fiscaal partnerschap.

De rechter oordeelt dat de vrouw slechts voor de onverdeelde helft van de woning renteaftrek kan toepassen en slechts de helft van het eigenwoningforfait dient op te geven. Zij heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een afspraak, toezegging of schending van opgewekt vertrouwen door de inspecteur. Ook oordeelt de rechter dat de inspecteur niet onzorgvuldig is geweest door haar niet te wijzen op de partnerregeling. Het beroep van de vrouw wordt ongegrond verklaard.

Belang voor de praktijk

De renteaftrek en het eigenwoningforfait wordt toegerekend naar de mate waarin de belastingplichtige gerechtigd is tot de eigen woning. Als je voor de helft eigenaar bent, dan is in beginsel slechts de helft van de betaalde rente aftrekbaar. Daartegenover staat dat je dan ook slechts de helft van het eigenwoningforfait moet opgeven. Voor de achterblijvende partner in de woning geldt dus dat de helft van de woning als eigen woning wordt aangemerkt en dat slechts de helft van de betaalde rente in mindering mag worden gebracht op het belastbare inkomen.

Voor de vertrekkende partner is de regeling bij scheiding van toepassing. Dit betekent dat de vertrekkende partner de andere helft van de woning fictief als eigen woning mag opvoeren voor een periode van twee jaar vanaf het moment dat hij de woning verlaat. Hij zal de helft van de rente moeten betalen om deze rente in mindering te kunnen brengen op zijn belastbaar inkomen.

Een uitzondering is mogelijk voor het kalenderjaar waarin partners uit elkaar gaan en zij hebben geopteerd voor fiscaal partnerschap. Dan hebben ze nog de mogelijkheid om voor het gehele jaar als fiscaal partners te worden aangemerkt en kunnen ze inkomensbestanddelen vrij toerekenen.

In de praktijk komt het vaker voor dat de achterblijvende partner de volledige lasten draagt. Vaak realiseert de achterblijvende partner zich niet dat slechts de helft van de rente aftrekbaar is, terwijl de impact groot is. Partners kunnen de impact beperken door af te spreken dat de achterblijvende partner alimentatie betaalt aan de vertrekkende partner. Voor de achterblijvende partner geldt dat zij de betaalde alimentatie in mindering mag brengen op haar inkomen naast de helft van de hypotheekrenteaftrek. De vertrekkende partner moet de ontvangen alimentatie opgeven in box 1 en kan de hypotheekrente aftrekken van zijn inkomen. De vertrekkende partner moet de hypotheekrente dan wel daadwerkelijk betalen.

De achterblijvende partner moet het eigenwoningforfait voor het woongenot verschaft door haar ex als alimentatie opgeven in box 1. Voor de vertrekkende partner geldt dat hij het verschafte woongenot (de helft van het eigenwoningforfait) als onderhoudsverplichting mag aftrekken.

[Bron: Fiscaal-Juridisch Adviesbureau Nationale Nederlanden]