Kennisbank

Ondernemersfaciliteiten in de overdrachtsbelasting

De staatssecretaris van Financiën heeft onlangs het besluit op de toepasbaarheid van ondernemingsfaciliteiten in de overdrachtsbelasting geactualiseerd. Dit besluit is op een aantal punten verruimd en het bevat ook twee nieuwe goedkeuringen.

 

Wanneer is overdrachtsbelasting verschuldigd?
Wie de economische en/of juridische eigendom van een onroerende zaak of van een beperkt recht daarop verkrijgt, is 6% (bij woningen 2%) overdrachtsbelasting verschuldigd over de verkoopprijs. In de overdrachtsbelasting is in een aantal gevallen ook de verkrijging van aandelen, certificaten en lidmaatschapsrechten in een zogenoemd onroerendezaaklichaam (OZL) belast. Het gaat dan om een lichaam dat op het moment van verkrijging of op enig moment in het jaar voorafgaand aan die verkrijging:

  • voor minimaal 50% van de bezittingen bestaat uit binnen- en/of buitenlandse onroerende zaken; en
  • ten minste 30% van de bezittingen uit Nederlandse onroerende zaken bestaat; en
  • ten minste 70% van de totale onroerende zaken voor 70% of meer dienstbaar zijn aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van die onroerende zaken.

Vrijstellingen
In bepaalde gevallen is er sprake van een verkrijging, maar die verkrijging is dan op grond van de wet op belastingen in het rechtsverkeer vrijgesteld. In het onlangs geactualiseerd besluit gaat de staatssecretaris in op de vrijstellingen die gelden bij:

  • bedrijfsopvolging binnen de familiesfeer;
  • fusie, splitsing en interne reorganisatie van een bedrijf;
  • inbreng in een vennootschap, die geen nv of bv is;
  • inbreng bij omzetting van een IB-onderneming in een nv of bv.

 

Bedrijfsopvolging
De wet op belastingen in het rechtsverkeer voorziet in een vrijstelling voor gevallen waarbij een onderneming waarvan een onroerende zaak deel uitmaakt, wordt voortgezet door (klein)kinderen of broers en zussen. In het oude besluit dat dateert uit 2010 is deze vrijstelling verruimd. Deze kring van familieleden werd uitgebreid met de aanstaande echtgenoot/echtgenote van de voortzettende ondernemer. Sindsdien geldt deze vrijstelling ook bij de overdracht van een onderneming aan een familielid, gevolgd door de inbreng van die onderneming door dit familielid in een personenvennootschap met zijn of haar aanstaande echtgenoot of met een ander familielid van de oorspronkelijke ondernemer. Hieraan is wel de voorwaarde verbonden dat het huwelijk met de aanstaande echtgenoot binnen zes maanden moet plaatsvinden.

 

Reorganisatie
Het kan ook gebeuren dat binnen concernverband onroerende zaken in het kader van een reorganisatie van de ene concernvennootschap naar de andere concernvennootschap overgaan. In beginsel is de verkrijgende concernvennootschap dan overdrachtsbelasting verschuldigd. Maar ook voor deze situatie bestaat een vrijstelling. Deze vrijstelling van overdrachtsbelasting geldt onder voorwaarden bij onder meer interne reorganisaties. Het gaat hier om situaties waarbij overdracht van een onroerende zaak plaatsvindt binnen een deel van een concern onder de topvennootschap, waarna binnen drie jaar een wijziging optreedt binnen het concern. Denk hierbij aan een moeder/dochterfusie of liquidatie, als gevolg waarvan geen concern meer bestaat. De staatssecretaris keurt goed dat de vrijstelling in stand mag blijven op voorwaarde dat de moedervennootschap voor de resterende periode blijft bestaan. In het geactualiseerd besluit geeft de staatssecretaris aan dat met de resterende periode wordt bedoeld het gedeelte van de driejaarstermijn die nog niet is verstreken op het moment van de fusie of liquidatie.

 

Inbreng in een bv: de vereisten
De inbreng van onroerende zaken die tot een onderneming behoren, in een bv is vrijgesteld van overdrachtsbelasting. Als voorwaarde geldt onder meer dat alle zaken die tot het ondernemingsvermogen behoren en die een functie vervullen binnen de onderneming ingebracht moeten worden in de bv tegen uitreiking van aandelen. De bv waarin de onderneming is ingebracht moet bovendien gedurende tenminste drie jaren na de inbreng worden voortgezet. De inbrenger(s) mogen voor een bedrag gelijk aan tien procent van wat op de aandelen wordt gestort, worden gecrediteerd. Bij inbreng van een onderneming van een samenwerkingsverband in een bv moeten de inbrengers geheel of voor minstens 90% in dezelfde verhouding in het aandelenkapitaal gerechtigd zijn als in het vermogen van het samenwerkingsverband.

 

Inbreng in een vennootschap, die geen nv of bv
Om in aanmerking te komen voor een vrijstelling bij inbreng van een onderneming in een vennootschap die geen in aandelen verdeeld kapitaal heeft, geldt ook een aantal voorwaarden. Zo moet de inbreng plaatsvinden tegen bijschrijving op de kapitaalrekening van de vennootschap van een bedrag dat ten minste 90 procent is van de waarde in het economische verkeer van het vermogen van de ingebrachte onderneming of de boekwaarde van dat vermogen. De staatssecretaris heeft daarbij benadrukt dat de vrijstelling niet geldt als de inbreng van het ondernemingsvermogen voor een deel plaatsvindt tegen de waarde in het economische verkeer en voor een deel onder voorbehoud van stille reserves. Uit het geactualiseerd besluit blijkt nu dat dit verbod ook van toepassing is als sprake is van een inbreng van één of meer vermogensbestanddelen. In dat geval wordt de boekwaarde vermeerderd met het niet voorbehouden deel van de stille reserves.

 

Vrijstelling bij omzetting
De staatssecretaris keurt ook onder voorwaarden goed dat een vrijstelling geldt bij inbreng in een nv of bv van een windturbineonderneming, met uitzondering van (een recht van opstal op) de ondergrond van de windturbine. Hiermee wil de staatssecretaris een goedkeuring in de inkomstenbelasting ook laten doorwerken in de overdrachtsbelasting.

 

(Bron: Giniraynha Poulina en Ministerie van Financiën, 16 oktober 2012, BLKB/2012/611M )

© 2018 DMBH | Privacy Statement