Kennisbank

Vrijwilligerswerk en giftenaftrek

Voor de beoordeling van de vraag of vrijwilligers recht hebben op giftenaftrek is het van belang onderscheid te maken tussen

 

(A) het afzien van een vergoeding voor werkelijk gemaakte kosten en
(B) het afzien van een vrijwilligersvergoeding die niet gebaseerd is op werkelijk gemaakte kosten.

 

(A) Afzien van een vergoeding voor werkelijk gemaakte kosten. Giftenaftrek is mogelijk als men kosten met succes bij de ANBI zou kunnen declareren, maar daarvan vrijwillig afziet. Giftenaftrek is ook mogelijk als het gaat om kosten die naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen behoren te worden vergoed, maar waarvoor geen vergoedingsregeling is getroffen door de slechte financiële positie van de instelling of waarbij de belastingplichtige bij voorbaat van vergoeding heeft afgezien. Bij deze naar maatschappelijke opvattingen te vergoeden kosten valt te denken aan kosten van vervoer van de vrijwilliger.

 

(B) Afzien van vrijwilligersvergoeding die niet gebaseerd is op werkelijk gemaakte kosten. In deze situatie gaat het niet om de vraag hoe de vrijwilliger giftenaftrek kan krijgen voor gemaakte kosten. Hier gaat het om ANBI’s die de inzet van de vrijwilliger willen belonen en die dat willen bereiken door de vrijwilliger een giftenaftrek te bezorgen met behulp van een ‘vrijwilligersverklaring’. De vrijwilliger zou in dat geval worden beloond doordat hij een belastingteruggave ontvangt. Voor deze gevallen kan geen giftenaftrek worden geclaimd.

 

Commentaar
Het recht op giftenaftrek kan niet louter worden geëffectueerd door het afgeven van een ‘vrijwilligersverklaring’. Als dat wel het geval zou zijn dan zouden alle vrijwilligers die zich inzetten voor een ANBI binnen de kortste keren een giftenaftrek krijgen. Giftenaftrek komt echter pas in beeld als de vrijwilliger daadwerkelijk afziet van de vergoeding. Dat betekent dat de Be lastingdienst dient te toetsen: – of sprake is van vrijwilligerswerk; – of sprake is van een reëel recht op vergoeding; – of de ANBI de bedoeling heeft de vergoeding uit te betalen; – of de ANBI de middelen ter beschikking heeft om de vergoeding uit te kunnen betalen en – of de vrijwilliger de volledige vrijheid heeft om over de vergoeding te beschikken. De financiële situatie en de kennelijke bedoeling van de ANBI moeten worden getoetst. Als er inderdaad vergoedingen betaalbaar zijn, dan is van belang dat de vrijwilliger de vergoedingen zelf moet kunnen genieten en dus de volledige vrijheid heeft om de vergoeding zelf te houden. Mr. F.A. Peppelenbosch

 

(Bron: FiscaNet)

© 2018 DMBH | Privacy Statement