Kennisbank

Bij gering zakelijk gebruik auto geldt grens van 10%


Bij een privéverbruik van minder dan 500 kilometer is een auto voor een ondernemer verplicht ondernemingsvermogen voor de inkomstenbelasting. Maar Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat het omgekeerde niet het geval is. Is het zakelijk gebruik minstens 500 kilometer, maar minder dan 10% van het totaal? Dan is de auto toch verplicht privévermogen.


In deze zaak ging het om een ondernemer die bij de klanten van een keukenbedrijf thuis keukens monteerde. De man had zowel een bestelauto als een personenauto op zijn naam staan. De man rekende de personenauto tot zijn ondernemingsvermogen. De Belastingdienst meende dat de man deze keuze niet mocht maken vanwege onvoldoende zakelijk gebruik. Het geschil belandde voor Rechtbank Noord-Nederland. De Rechtbank ging uit van een totaal jaarlijks gebruik van 22.000 kilometer, waarvan 1453 zakelijke kilometers waren. De zakelijke kilometers bedroegen dus minder dan 10% van het totaal. Maar volgens de rechtbank was dat niet van belang, omdat voor de vermogensetikettering van auto’s alleen de grens van 500 kilometer relevant zou zijn. Het zakelijk gebruik overtrof deze grens, en dus was de auto volgens de rechtbank keuzevermogen. Zie: ‘Grens van 500 kilometer werkt beide kanten op’ en NTFR 2019/2416 met annotatie van dr. W. Bruins Slot.

Andere regel bij gering zakelijk gebruik


De Belastingdienst laat het er echter niet bij zitten en gaat in hoger beroep. Het hof stelt dat een auto niet als privévermogen is te bestempelen als het privégebruik nog geen 500 kilometer per jaar is. Deze regeling vormt een uitzondering op de hoofdregel in de vermogensetikettering voor de kwalificatie van keuzevermogen. Volgens de hoofdregel kan een vermogensbestanddeel pas keuzevermogen zijn als zowel het zakelijk als privégebruik minstens 10% is. Het hof oordeelt dat de grens van 500 kilometer alleen geldt bij een gering privégebruik. Bij een gering zakelijk gebruik geldt de hoofdregel. De personenauto is daarom verplicht privévermogen.


Wet: art. 3.20, eerste lid Wet IB 2001


Bron: De Rechtspraak

© 2018 DMBH | Privacy Statement