Kennisbank

Door afbranden woning is bij opgelegde aanslag erfbelasting sprake van buitensporige last

De Rechtbank Gelderland oordeelt dat bij het opleggen van de aanslag erfbelasting sprake is van een individuele en buitensporige last. X kan geen civielrechtelijke vordering op de brandstichter te gelde maken en de verzekeringsmaatschappij vergoedt de schade niet.


De moeder van X overlijdt in 2018. Tot de nalatenschap behoort een woning die in 2020 voor € 395.000 wordt verkocht. De broer van X steekt de woning echter kort voor de juridische levering in brand. De woning wordt uiteindelijk verkocht voor € 80.500. X is het niet eens met de aan hem opgelegde aanslag erfbelasting van € 6203.

Rechtbank Gelderland oordeelt dat de aanslag terecht is opgelegd. De erfbelasting is een tijdstipbelasting. Eventuele waardedalingen of -stijgingen na het moment van overlijden zijn niet van belang voor de bepaling van de omvang van de nalatenschap. Volgens de rechtbank is er echter sprake van een individuele en buitensporige last in de zin van art. 1 EP EVRM. De hoogte van de belastingdruk geeft weliswaar geen directe aanleiding om een individuele en buitensporige last aan te nemen, maar de uitzonderlijke omstandigheden van het geval wel. De rechtbank wijst er op dat X geen civielrechtelijke vordering op de brandstichter te gelde kan maken, dat de verzekeringsmaatschappij de door de brand veroorzaakte schade niet vergoedt en dat de woning uiteindelijk voor € 80.500 aan een derde is verkocht. X zal daarom geen middelen uit de nalatenschap verkrijgen. De rechtbank stelt de belastbare verkrijging van X voor de erfbelasting vast op € 0.


Bron: Wolters Kluwer

© 2018 DMBH | Privacy Statement